Leestijd: 5 minuten
Een casestudy naar leeromgeving die de zelfsturende vaardigheden van leerlingen ondersteunt.
Wat als je klaslokaal méér is dan vier muren? Wat als de ruimte zelf leerlingen uitdaagt om verantwoordelijkheid te nemen voor hun leren? Deze masterproef toont hoe de fysieke leeromgeving een echte motor kan zijn voor zelfsturend leren en wat jij morgen al kan doen in je klas.
De klas als ‘derde leerkracht’
Zelfgestuurd leren is vandaag geen luxe meer, maar een noodzaak. In een wereld die voortdurend verandert, hebben leerlingen vaardigheden nodig om zélf richting te geven aan hun leren. Niet toevallig is het één van de zestien sleutelcompetenties in het Vlaams onderwijs.
Toch blijft de organisatie van veel scholen en klaslokalen hangen in traditionele structuren. Dat wringt. Want hoe kan je leerlingen verantwoordelijkheid geven over hun leerproces, als de omgeving daar niet op afgestemd is?
Vanuit die vraag vertrokken de onderzoekers, hun centrale onderzoeksvraag luidt:
“Hoe wordt een fysieke leeromgeving van scholen georganiseerd op schoolniveau en op klasniveau om de zelfsturende vaardigheden van leerlingen te bevorderen?”

Onderzoek met beide voeten in de praktijk
De onderzoekers kozen voor een meervoudige casestudy in twee secundaire scholen waar zelfgestuurd leren centraal staat. Ze verzamelden inzichten via een focusgroep met leraren en leerlingen, en een interview met een directeur.
Die praktijkgerichte aanpak is geen toeval. De studie speelt in op een duidelijke leemte: hoewel er veel onderzoek bestaat over leeromgevingen én over zelfgestuurd leren, blijft de link tussen beide opvallend onderbelicht.
Het wetenschappelijk kader: leren is sociaal en contextgevoelig
De studie bouwt voort op het constructivistische denken, met Vygotsky als belangrijke inspiratiebron. Zijn visie? Leren gebeurt in interactie met anderen én met de omgeving.
Daarnaast wordt zelfgestuurd leren benaderd als een actief, cyclisch proces waarbij leerlingen doelen stellen, strategieën kiezen en hun eigen leren evalueren (Zimmerman; Boekaerts & Simons).
De fysieke leeromgeving wordt hierbij gezien als de ‘third teacher’: een factor die leren kan versterken of afremmen.
Dit kader past perfect bij het onderzoek, omdat het expliciet de wisselwerking onderzoekt tussen ruimte, gedrag en leren.
Wat werkt? 10 krachtige patronen uit de praktijk
De studie brengt tien terugkerende principes naar voren die zelfsturend leren ondersteunen.
Op schoolniveau (6 patronen)
Op schoolniveau zien we hoe de organisatie van de leeromgeving het verschil kan maken voor zelfsturend leren. Zo worden dagelijkse coachingmomenten ingebed in de leerruimte, waardoor leerlingen regelmatig worden begeleid in hun leerproces en niet aan hun lot worden overgelaten. Daarnaast is er een duidelijke connectie met de buitenwereld, wat het leren betekenisvoller maakt en leerlingen helpt om de relevantie van hun werk te zien. De ruimte zelf wordt bewust ingezet via een ruimtelijke afbakening van leeractiviteiten, zodat leerlingen weten waar ze welke taken uitvoeren. Ook tijd speelt een cruciale rol: door te werken met tijdsblokken (temporele afbakening) krijgen leerlingen structuur én ruimte om hun werk zelfstandig te plannen. Opvallend is ook het belang van een gedeeld schooljargon, dat leerlingen helpt om hun leerproces te benoemen en te sturen. Tot slot wordt er sterk ingezet op doordachte groepssamenstellingen, vaak heterogeen of intergenerationeel, waardoor leerlingen van en met elkaar leren
Op klasniveau (4 patronen)
Op klasniveau vertalen deze principes zich naar concrete keuzes in de inrichting en aanpak. Zo zorgt een sobere inrichting voor minder afleiding en meer focus. Tegelijk is studiemateriaal binnen handbereik aanwezig, zodat leerlingen zelfstandig aan de slag kunnen zonder telkens afhankelijk te zijn van de leerkracht. Een uniforme klasinrichting creëert duidelijkheid en rust, omdat leerlingen precies weten wat ze kunnen verwachten in elke ruimte. Ten slotte vormt projectmatig werken een krachtige motor voor eigenaarschap: leerlingen nemen verantwoordelijkheid, werken doelgericht en krijgen de kans om hun leerproces actief vorm te geven.
Opvallend: niet alles komt uit bestaande literatuur. De studie legt ook nieuwe accenten, zoals het belang van tijdsstructuur en schooltaal.
Wat betekent dit voor jouw klas?
De inzichten uit deze masterproef vertalen zich verrassend concreet naar de klasvloer:
✅ Durf te versimpelen
Een sobere klas helpt leerlingen focussen. Minder decoratie kan méér leren betekenen.
✅ Werk met duidelijke zones en tijd
Maak zichtbaar waar en wanneer leerlingen aan iets werken. Structuur geeft vrijheid.
✅ Zorg dat materiaal dichtbij is
Zelfstandig werken lukt beter als leerlingen niet afhankelijk zijn van de leerkracht voor elk hulpmiddel.
✅ Gebruik een gedeelde taal
Een helder schooljargon helpt leerlingen om hun leerproces te benoemen en te sturen.
✅ Maak ruimte voor coaching
Zelfgestuurd leren betekent niet loslaten, maar begeleiden. Bouw bewust momenten in voor feedback.
✅ Denk groter dan je klaslokaal
Betrek de buitenwereld en werk projectmatig. Dat verhoogt betrokkenheid en eigenaarschap.
Tot slot: de ruimte doet ertoe
Deze masterproef maakt één ding glashelder: zelfgestuurd leren zit niet alleen in je didactiek, maar ook in je muren, meubels en organisatie.
Of zoals de onderzoekers het impliciet tonen:
Een krachtige leeromgeving geeft leerlingen niet alleen kennis, maar ook richting.
Wil je morgen starten?
Kijk dan eens opnieuw naar je klas. Niet als een ruimte die je vult, maar als een partner in het leerproces.