Leestijd: ± 5 minuten
Relationele en seksuele vorming (RSV) ligt al enkele jaren onder een vergrootglas. Discussies over eindtermen, gender, seksuele diversiteit en de rol van scholen volgen elkaar in sneltempo op. Vaak spreken beleidsmakers, ouders of belangenorganisaties zich uit over wat jongeren zouden moeten leren. Maar hoe kijken leerlingen daar zelf naar?
Precies die vraag staat centraal in deze masterproef. Via focusgroepen met leerlingen uit de tweede graad doorstroomonderwijs onderzochten de onderzoekers in welke mate het huidige lessenpakket relationele en seksuele vorming aansluit bij wat jongeren vandaag nodig hebben.
De conclusie is opvallend duidelijk: leerlingen zijn niet ontevreden over de thema's die aan bod komen, maar vragen wel een andere invulling. Minder theorie, meer praktijk. Minder zenden, meer dialoog. En vooral: een omgeving waarin ze zich veilig voelen om vragen te stellen.
Waarom relationele en seksuele vorming zo belangrijk blijft
De nood aan kwaliteitsvolle relationele en seksuele vorming is volgens de masterproef groot. Jongeren bevinden zich in een periode van intense fysieke, emotionele en sociale ontwikkeling. Ze experimenteren, bouwen relaties op, vormen hun identiteit en worden tegelijk overspoeld door informatie via sociale media, influencers en online content.
Daarom heeft relationele en seksuele vorming volgens de onderzoekers een bredere opdracht dan louter informeren over voortplanting of anticonceptie.
Het gaat ook over:
- respectvolle relaties;
- grenzen aangeven;
- omgaan met gevoelens;
- weerbaarheid;
- seksuele gezondheid;
- kritisch omgaan met informatie en beeldvorming.
De vraag is echter of de invulling van het huidige curriculum voldoende aansluit bij de leefwereld van jongeren.
Jongeren willen vooral praktische informatie
Eén rode draad komt terug: leerlingen willen weten hoe zaken concreet werken.
Dat geldt in de eerste plaats voor anticonceptie. De theorie kennen ze vaak al, maar ze missen praktische uitleg, demonstraties en voorbeelden van correct en fout gebruik.
Ook voor soa's ervaren leerlingen een gebrek aan praktische informatie. Een opsomming van aandoeningen volstaat volgens hen niet. Ze willen begrijpen hoe ze signalen kunnen herkennen, wat de gevolgen zijn en waarom preventie belangrijk is.
Daarnaast benoemen leerlingen verschillende thema's waarover ze meer duidelijkheid willen:
- wat er tijdens een eerste seksuele ervaring kan gebeuren;
- de rol van voorspel;
- de invloed van alcohol en drugs op seksueel gedrag;
- praktische gevolgen van risicovol gedrag.
De onderliggende boodschap is helder: informatie die rechtstreeks aansluit bij hun leefwereld blijft beter hangen dan theoretische kennis.
Niet alleen het lichaam, ook de emoties
Hoewel leerlingen meer praktische informatie vragen, betekent dit niet dat zij relationele of emotionele thema's minder belangrijk vinden. Integendeel.
Uit de gesprekken blijkt een duidelijke behoefte aan ondersteuning rond gevoelens, communicatie en relaties. Jongeren willen weten hoe ze moeilijke gesprekken kunnen voeren, hoe ze omgaan met verschillen binnen een relatie en hoe ze gevoelens bespreekbaar maken.
"Daar hebben we niet zoveel info over en het is eigenlijk wel nuttig."
Voor veel leerlingen gaat seksuele vorming dus niet alleen over seksualiteit zelf, maar ook over alles wat daarbij komt kijken: onzekerheden, verwachtingen, aantrekking, communicatie en wederzijds begrip.
"Wat als?"-situaties verdienen meer aandacht
Een ander opvallend inzicht is dat leerlingen nood hebben aan concrete handvatten voor moeilijke situaties.
Ze willen niet enkel weten wat een ongewenste zwangerschap is of wat seksuele intimidatie betekent. Ze willen ook weten wat ze moeten doen wanneer ze hiermee geconfronteerd worden en waar ze terechtkunnen voor hulp.
Tijdens de focusgroepen kwamen onder meer deze onderwerpen naar voren:
- ongewenste zwangerschap;
- aanranding en seksuele intimidatie;
- ongewenste verspreiding van beelden;
- pijn of problemen bij seks;
- grenzen aangeven;
- hulpverlening en aanspreekpunten.
Opvallend is dat leerlingen niet altijd weten waar ze met dergelijke vragen terechtkunnen. Wanneer hierover wordt doorgevraagd, blijkt de kennis vaak beperkt. Het onderzoek suggereert daarom dat scholen meer aandacht kunnen besteden aan het bespreken van concrete situaties en mogelijke hulpkanalen.
Leerlingen willen minder luisteren en meer praten
Misschien wel de meest consistente boodschap uit de hele studie gaat over de manier waarop lessen worden gegeven.
Leerlingen vragen expliciet meer interactieve werkvormen. Ze denken daarbij aan:
- klasgesprekken;
- groepsdiscussies;
- stellingen;
- quizzen;
- actuele artikels;
- begeleide debatten.
Video's kunnen volgens hen een waardevolle aanvulling zijn, maar mogen geen vervanging worden van interactie. Het echte leren gebeurt volgens de deelnemers wanneer er na het bekijken van beelden ruimte is om vragen te stellen en ervaringen uit te wisselen.
Zonder veiligheid geen open gesprek
Meer interactie klinkt aantrekkelijk, maar de studie toont ook meteen een belangrijke voorwaarde.
Veel leerlingen voelen zich vandaag niet volledig comfortabel tijdens lessen relationele en seksuele vorming. Veertien van de zesendertig respondenten geven aan zich nauwelijks of helemaal niet op hun gemak te voelen wanneer dergelijke onderwerpen op school besproken worden. Dat heeft vaak te maken met schaamte, groepsdruk of angst om beoordeeld te worden.
Om die veiligheid te vergroten formuleren leerlingen verschillende concrete suggesties:
- werken in kleinere groepen;
- zelf inspraak krijgen in groepssamenstellingen;
- anoniem vragen kunnen stellen;
- duidelijke afspraken rond respect en vertrouwelijkheid.
Vooral anonimiteit blijkt belangrijk. Leerlingen geven aan dat ze gevoelige vragen veel gemakkelijker stellen wanneer zij eerst anoniem kunnen worden ingediend.
Wie geeft de les, maakt verschil
Ook de lesgever speelt volgens leerlingen een belangrijke rol. De meeste deelnemers vinden dat leerkrachten dergelijke lessen kunnen geven, zeker wanneer zij voldoende inhoudelijke kennis hebben en hun leerlingen goed kennen. Tegelijk zien veel jongeren voordelen in externe deskundigen.
Vooral professionals met praktijkervaring, zoals vroedvrouwen of andere experten, worden als geloofwaardig ervaren. Toch blijkt uit de gesprekken dat leerlingen niet noodzakelijk een keuze willen maken tussen leerkrachten en externen. Een vakleerkracht met voldoende expertise wordt eveneens beschouwd als een geschikte begeleider.
Wat kunnen scholen hieruit leren?
Voor scholen liggen er verschillende kansen:
- overlap tussen vakken verminderen;
- meer ruimte maken voor praktische toepassingen;
- interactieve werkvormen inzetten;
- aandacht besteden aan emoties en relaties;
- werken met casussen en praktijksituaties;
- structureel inzetten op een veilig leerklimaat;
- leerlingen vooraf bevragen over hun noden.
Een interessante suggestie uit de masterproef is het organiseren van projectdagen rond relationele en seksuele vorming. Zo ontstaat meer tijd voor verdieping, dialoog en samenwerking met externe experten.
Tot slot: misschien moeten we jongeren vaker zelf het woord geven
Deze masterproef vertrekt van een eenvoudige vraag: sluit het huidige lessenpakket relationele en seksuele vorming aan bij wat jongeren nodig hebben?
Het antwoord blijkt genuanceerd. De thema's zijn grotendeels relevant, maar de manier waarop ze worden aangeboden kan beter aansluiten bij de leefwereld van leerlingen. Jongeren vragen niet noodzakelijk meer seksuele vorming, maar wel vorming die concreter, interactiever en veiliger is.
Misschien ligt daarin wel de belangrijkste les voor scholen. Als relationele en seksuele vorming jongeren wil voorbereiden op het echte leven, dan moet er voldoende ruimte zijn om het ook over dat echte leven te hebben.
Meer weten?
Wil je alle onderzoeksresultaten, citaten, methodologie en aanbevelingen in detail raadplegen?
👉 Lees dan de volledige masterproef “Noden relationele en seksuele vorming in de tweede graad doorstroomonderwijs: in hoeverre komt het huidige lessenpakket relationele en seksuele vorming overeen met de huidige noden van de leerlingen?” van Sien Van Vaerenbergh en Kelly Masy. De studie biedt een genuanceerd beeld van hoe leerlingen relationele en seksuele vorming vandaag ervaren en welke kansen scholen zien om hun aanbod sterker af te stemmen op de leefwereld van jongeren.